top of page

N-health®
Natasja van Ooijen

  • Facebook
  • Youtube
  • Instagram
  • Whatsapp
  • LinkedIn

Uit de praktijk | Drie lessen die mijn kijk op gezondheid voorgoed veranderden

  • 17 aug
  • 16 minuten om te lezen



Wat mijn leermeesters mij leerden — en wat ik iedere dag opnieuw terugzie in de praktijk

Sommige lessen leer je uit een studieboek.

Je onderstreept ze, leert ze voor een examen en slaat het boek uiteindelijk weer dicht.

Andere lessen doen iets heel anders.

Ze veranderen niet alleen wat je weet.

Ze veranderen waar je naar kijkt.

Door de jaren heen heb ik van verschillende leermeesters mogen leren. Mensen met ieder hun eigen vakgebied, klinische ervaring en manier van kijken naar gezondheid, ziekte en herstel.

Van hen kreeg ik kennis mee over immunologie, neurologie, endocrinologie, metabolisme, evolutionaire biologie, gedrag en Psycho-Neuro-Immunologie.

Maar sommige lessen bleven veel dieper hangen dan een biochemisch mechanisme of protocol/richtlijn.

Omdat ze mijn manier van denken veranderden.

Ze leerden mij om niet alleen te vragen:

Wat heeft deze cliënt?

Maar steeds vaker:

Waarom reageert dit lichaam zoals het reageert?

In mijn eigen praktijk ben ik gaan zien hoe belangrijk dat verschil is.

Bij cliënten die al verschillende diagnoses hadden gekregen, maar bij wie niemand de losse diagnoses met elkaar leek te verbinden.

Bij mensen van wie de bloeduitslagen geruststellend waren terwijl zij zelf heel duidelijk ervoeren dat hun lichaam niet meer functioneerde zoals voorheen.

Bij cliënten die kwamen voor hun darm, maar bij wie de slaap een belangrijke rol bleek te spelen.

Of iemand die kwam vanwege hormonen, terwijl onder het oppervlak veel meer speelde rondom energiebeschikbaarheid, immuunactivatie, herstel en stressfysiologie.

En ook bij cliënten bij wie mijn eerste hypothese niet bleek te kloppen.

Juist dát hoort voor mij bij klinisch werken.

Niet proberen de mens passend te maken bij een theorie.

Maar de theorie gebruiken om de mens beter te begrijpen.

Drie lessen van mijn leermeesters vormen daarin voor mij een belangrijke basis:

Een symptoom is niet automatisch het probleem.

Het lichaam laat zich niet werkelijk opdelen in afzonderlijke systemen.

En de ervaring en het verhaal van de cliënt zijn óók klinische informatie.

Drie lessen die eenvoudig klinken.

Maar wanneer je ze werkelijk toepast, verandert de manier waarop je naar gezondheid kijkt.

De eerste les: zet niet alleen het alarm uit

Een van de metaforen die voor mij heel duidelijk maakt wat symptoombehandeling kan betekenen, is die van een rookmelder.

Stel je voor.

Het is midden in de nacht en ineens gaat het alarm af.

Het geluid is indringend.

Alles in je wil dat het stopt.

Je kunt de batterij uit de rookmelder halen.

En binnen enkele seconden is het stil.

Missie geslaagd?

Alleen wanneer er geen brand is.

Want als er ergens achter een muur iets smeult, heb je weliswaar het geluid verwijderd, maar niet de reden waarom dat geluid ontstond.

Zo probeer ik ook naar symptomen te kijken.

Niet ieder symptoom is alleen maar iets wat zo snel mogelijk moet verdwijnen.

Soms is een symptoom óók een signaal van een systeem dat ergens op reageert.

Dat betekent absoluut niet dat klachten niet behandeld mogen worden.

Pijn hoeft niet romantisch gemaakt te worden.

Een ernstige ontsteking hoeft niet eerst eindeloos ‘begrepen’ te worden voordat er wordt ingegrepen.

Acute of ernstige klachten vragen passende medische diagnostiek en waar nodig behandeling.

Symptoombehandeling kan noodzakelijk, waardevol en soms zelfs levensreddend zijn.

Maar daarnaast bestaat er voor mij altijd nog een tweede vraag:

Waarom produceert het lichaam deze reactie?

Het lichaam reageert

Een van de belangrijkste lessen die ik meekreeg, is dat het lichaam voortdurend probeert zich aan te passen aan de omstandigheden waarin het moet functioneren.

Aan een infectie.

Aan voedselbeschikbaarheid.

Aan temperatuur.

Aan slaaptekort.

Aan fysieke belasting.

Aan psychologische belasting.

Aan pijn.

Aan sociale veiligheid of juist het ontbreken daarvan.

Aan veranderingen in energiebehoefte.

Aan hormonale signalen.

Aan immuunactiviteit.

Het lichaam staat niet stil.

Het reguleert.

Voortdurend.

Binnen de fysiologie wordt daarvoor onder andere het begrip allostase gebruikt: het vermogen om stabiliteit te behouden door processen aan te passen aan veranderende omstandigheden. Stressmediatoren kunnen daarbij op korte termijn essentieel en beschermend zijn. Wanneer dezelfde regulatiesystemen echter langdurig of herhaaldelijk geactiveerd blijven, kunnen de kosten van die aanpassing toenemen. Dat concept wordt beschreven als allostatic load.

Het lichaam verandert dus niet alleen omdat er iets “kapot” gaat. Het verandert ook omdat het probeert te overleven binnen de omstandigheden die het krijgt.

Dat onderscheid vind ik enorm belangrijk.

Een noodprogramma is niet gemaakt om permanent aan te blijven

Denk aan een brandweerkazerne.

Wanneer ergens brand uitbreekt, wil je dat de brandweer razendsnel reageert.

Sirene aan.

Adrenaline omhoog.

Alle middelen richting de noodsituatie.

Andere zaken worden tijdelijk minder belangrijk.

Niemand gaat tijdens een grote brand uitgebreid de gevel schilderen.

De prioriteit is overleven.

Ons lichaam kent vergelijkbare prioriteiten.

Tijdens ziekte kan bijvoorbeeld zogenoemd sickness behavior ontstaan: minder activiteit, meer behoefte aan rust, veranderingen in eetlust en sociale terugtrekking. Vanuit een immunologisch perspectief zijn dergelijke reacties niet eenvoudigweg ‘luiheid’, maar onderdeel van een gecoördineerde respons waarbij energie en gedrag worden aangepast aan de immuunactiviteit.

Hetzelfde principe zien we breder binnen de stressfysiologie.

Op korte termijn kan een stressrespons buitengewoon functioneel zijn.

Maar wanneer een noodprogramma geen duidelijke eindtijd meer krijgt, verandert de situatie.

De brandweer staat dan niet meer tien minuten met draaiende motor voor de deur, maar maanden.

En een lichaam dat langdurig prioriteit moet geven aan bescherming, kan dat uiteindelijk voelen.

Dat betekent niet dat iedere chronische klacht simpelweg door ‘stress’ veroorzaakt wordt.

Dat woord wordt veel te gemakkelijk gebruikt.

Maar het betekent wel dat ik wil begrijpen:

welke biologische belasting krijgt dit systeem te verwerken en welke aanpassingen zijn daardoor nodig geworden?

Daarom kijk ik anders naar vermoeidheid

Neem vermoeidheid.

De eerste vraag kan zijn:

Hoe krijgen we meer energie?

Maar ik stel er graag een vraag vóór:

Waarom stelt het lichaam op dit moment minder energie beschikbaar voor bepaalde functies?

Is er daadwerkelijk te weinig energieproductie?

Is de slaap onvoldoende herstellend?

Is er verhoogde immuunactiviteit?

Is er onvoldoende beschikbaarheid van voedingsstoffen?

Is de energievraag structureel hoog?

Hoe verloopt de glucoseregulatie?

Hoe wordt lichamelijke inspanning verdragen?

Is er sprake van langdurige neuro-endocriene belasting?

En hoe functioneren de mitochondriën binnen dat hele landschap?

Mitochondriën zijn namelijk niet alleen kleine batterijen die ATP produceren. Ze reageren op metabole en neuro-endocriene signalen en worden onderzocht als een belangrijk kruispunt tussen energiehuishouding en stressfysiologie. Onderzoek laat zien dat psychologische stress mitochondriale structuur en functie kan beïnvloeden, al is een belangrijk deel van het causale experimentele bewijs afkomstig uit dieronderzoek.

Dat is een belangrijke nuance.

Een interessant mechanisme is nog geen individuele diagnose.

Maar het helpt wel betere vragen te stellen.

De tweede les: scheid niet wat biologisch voortdurend met elkaar praat

Een andere les die ik van mijn leermeesters meekreeg, veranderde mijn kijk minstens zo sterk.

Wij hebben de gezondheidszorg heel logisch georganiseerd in specialismen.

Cardiologie.

Neurologie.

Gastro-enterologie.

Endocrinologie.

Psychologie.

Immunologie.

En die specialisatie is ontzettend waardevol.

We hebben daardoor een enorme hoeveelheid diepgaande kennis opgebouwd.

Maar er ontstaat een risico wanneer onze manier van organiseren langzaam onze manier van denken wordt.

Want het lichaam zelf heeft die afdelingen nooit gemaakt.

De darm weet niet dat hij bij de gastro-enteroloog hoort.

De schildklier kent het woord endocrinologie niet.

Een immuuncel stopt niet bij de denkbeeldige grens van de immunologie.

En het brein functioneert al helemaal niet in een afgesloten ruimte die alleen ‘psychologie’ heet.

Het lichaam is geen appartementencomplex

We kunnen ons het lichaam voorstellen als een appartementencomplex waarin ieder orgaan zijn eigen voordeur heeft.

Hart hier.

Darm daar.

Brein boven.

Hormonen aan de overkant.

Maar fysiologisch klopt dat beeld nauwelijks.

Het lichaam lijkt veel meer op een stad.

Alles is met elkaar verbonden door wegen, elektriciteit, watervoorziening, communicatie en transport.

Als één belangrijke verkeersader vastloopt, merk je dat op verschillende plekken.

Wanneer ergens de stroom uitvalt, kunnen systemen kilometers verderop problemen ervaren.

Wanneer één wijk enorme hoeveelheden energie vraagt, moet die energie ergens vandaan komen.

Het lichaam is een communicatienetwerk.

Het zenuwstelsel communiceert met het immuunsysteem.

Het immuunsysteem beïnvloedt het brein.

Hormonen beïnvloeden immuuncellen.

Immuunmediatoren kunnen endocriene processen beïnvloeden.

Metabolisme bepaalt mede welke grondstoffen en energie beschikbaar zijn.

De darm communiceert via neurale, endocriene, metabole en immunologische routes met de rest van het lichaam.

En mitochondriën bevinden zich midden in veel van die processen.

De wetenschap beschrijft uitgebreide bidirectionele communicatie tussen hersenen, immuunsysteem en perifere fysiologie. Dat is een kernconcept binnen de moderne neuro-immunologie en sluit aan bij het bredere denkkader van Psycho-Neuro-Immunologie.

Het lichaam is voor mij daarom meer een orkest dan een machine

Ik gebruik in gesprekken graag de metafoor van een orkest.

Stel dat tijdens een concert één viool vals klinkt.

Dan is het logisch om naar die viool te kijken.

Misschien is een snaar niet goed gestemd.

Misschien is het instrument beschadigd.

Maar wat als de viool technisch perfect in orde is?

Wat als de dirigent een ander tempo aangeeft dan de partituur voorschrijft?

Wat als het slagwerk zo hard speelt dat de violist zijn eigen muziek niet meer hoort?

Wat als de koperblazers een halve maat achterlopen?

Of wat als de violist al drie kwartier probeert het hele orkest alleen overeind te houden?

Dan kun je de viool blijven behandelen.

Maar je zult de muziek niet begrijpen.

Je moet naar het orkest luisteren.

Dat is voor mij ook het verschil tussen alleen naar een orgaan kijken en proberen een systeem te begrijpen.

Een darm bestaat niet alleen uit darm

Wanneer iemand bij mij komt vanwege darmklachten, wil ik natuurlijk alles weten over de darm.

Hoe ziet de ontlasting eruit?

Hoe vaak is er ontlasting?

Is er sprake van pijn, gasvorming of een opgeblazen gevoel?

Welke voedingsmiddelen geven klachten?

Hoe is de eetlust?

Hoe verloopt de vertering?

Zijn er infecties geweest?

Is antibiotica gebruikt?

Maar daar stop ik niet.

Ik wil ook weten:

Hoe slaapt iemand?

Hoeveel tijd neemt iemand voor een maaltijd?

Wordt er zittend en rustig gegeten of achter een laptop tussen twee afspraken door?

Hoeveel beweegt iemand?

Hoe is de menstruatiecyclus?

Hoe wordt inspanning verdragen?

Hoe ziet de energie over de dag eruit?

Wat gebeurde er rondom het moment waarop de klachten begonnen?

Niet omdat al deze factoren automatisch de darmklachten ‘veroorzaken’.

Maar omdat een darm functioneert binnen een groter biologisch milieu.

Motiliteit, secretie, doorbloeding, immuunreactiviteit, barrièrefunctie, microbiële activiteit en zenuwstelsel staan niet los van elkaar.

Psychisch óf lichamelijk is voor mij vaak de verkeerde vraag

Ook de tegenstelling tussen ‘psychisch’ en ‘lichamelijk’ vind ik biologisch vaak te beperkt.

Een gedachte ontstaat niet buiten het lichaam.

Een emotie zweeft niet los in de ruimte.

Psychologische ervaringen worden verwerkt door een brein dat via autonome, endocriene, metabole en immunologische routes met het lichaam communiceert.

Andersom kunnen lichamelijke processen invloed hebben op stemming, motivatie, cognitieve functie en gedrag.

De communicatie is bidirectioneel.

Onderzoek naar chronische stress beschrijft het brein zowel als belangrijk orgaan van waarneming en adaptatie als een doelwit van de fysiologische effecten van langdurige belasting.

Dat betekent niet:

alles is stress.

Het betekent:

ervaringen hebben fysiologie en fysiologie beïnvloedt ervaring.

Dat is iets totaal anders.

De derde les: luister naar wat de cliënt ervaart

Misschien is dit wel een van de belangrijkste lessen die mijn leermeesters mij hebben meegegeven.

En tegelijkertijd één die in een sterk meetgerichte gezondheidszorg gemakkelijk onderschat kan worden.

Luister naar de mens die tegenover je zit.

Niet alleen naar de diagnose.

Niet alleen naar het laboratorium.

Niet alleen naar wat meetbaar is.

Maar ook naar wat iemand daadwerkelijk ervaart.

Ik hoor regelmatig:

“Alles was goed in mijn bloed, maar ik voel me helemaal niet goed.”

Of:

“Ik ben uitgeput, maar ik kan niet ontspannen.”

Of:

“Sinds die infectie is mijn lichaam anders gaan reageren.”

Of:

“Ik kan ineens helemaal niets meer hebben.”

Dat zijn voor mij geen bijzinnen.

Ik wil weten wat iemand daarmee bedoelt.

Een laboratoriumuitslag en een mens beantwoorden niet dezelfde vraag

Laat ik daar heel duidelijk in zijn:

Ik hecht veel waarde aan objectieve diagnostiek.

Ik hou van biochemie.

Van fysiologie.

Van meetbare parameters.

En bij mogelijke pathologie hoort passende medische diagnostiek.

Maar een laboratoriumuitslag is iets anders dan de totale ervaring van een mens.

Een bloedtest meet een selectie van parameters op een bepaald moment.

De persoon tegenover mij leeft al maanden of jaren vierentwintig uur per dag in dat lichaam.

Daar zit informatie in.

Een laboratorium maakt een foto.

De cliënt vertelt de film.

We hebben beide nodig.

Wat iemand voelt is geen diagnose, maar wel informatie

Dit onderscheid vind ik essentieel.

Wanneer iemand zegt:

“Mijn lichaam voelt ontstoken,”

betekent dat niet automatisch dat er aantoonbare systemische inflammatie bestaat.

Wanneer iemand zegt:

“Mijn cortisol is te hoog,”

kan dat niet alleen op basis van gevoel worden vastgesteld.

Wanneer iemand zich uitgeput voelt, betekent dit niet automatisch dat er mitochondriale disfunctie bestaat.

Er moet dus altijd onderscheid blijven tussen:

ervaring, hypothese en diagnose.

Maar de ervaring mag niet verdwijnen omdat zij niet direct in een laboratoriumwaarde kan worden uitgedrukt.

Sterker nog: patiëntgerapporteerde uitkomsten worden in de wetenschappelijke gezondheidszorg expliciet gebruikt om aspecten zoals symptomen, functioneren en kwaliteit van leven rechtstreeks vanuit het perspectief van de patiënt vast te leggen. Dat gebeurt via Patient-Reported Outcomes (PROs) en gevalideerde Patient-Reported Outcome Measures (PROMs).

Het verhaal tijdens een intake is niet exact hetzelfde als een formele PROM-vragenlijst.

Maar het onderliggende principe is belangrijk:

de ervaring van de patiënt bevat klinisch relevante informatie die niet volledig door biomarkers kan worden vervangen. Soms wordt mij zelfs na een uitgebreide gezondheidsanalyse gevraagd: Wat is je diagnose over mij? Ik leg dan rustig uit dat ik die niet stel, ik geen arts ben maar dat ik ook niet een diagnose behandel, dat ik wel mechanismen in kaart breng die ontregeld zijn, verbindingen maak en deep learning geef om de client ook heel goed te laten begrijpen hoe ze daar zijn gekomen wat er speelt en waar ze zijn en staan, waarom het lichaam doet wat het doet. Ik noem dat de biologische foto. Filmgeneeskunde (de weg ernaartoe) of Tijdlijngeneeskunde. Geen: Stel een diagnose-en zeg me wat te doen systeem dus.

“Ik ben moe, maar ik kan niet stilzitten”

Neem zo'n zin.

Op het eerste gezicht lijkt hij tegenstrijdig.

Moe zijn betekent toch rust nodig hebben?

Maar fysiologisch kan het juist ontzettend interessant zijn.

Ik wil dan weten:

Voelt iemand slaperigheid?

Spiervermoeidheid?

Cognitieve vermoeidheid?

Of een totaal gebrek aan belastbaarheid?

Is er tegelijkertijd innerlijke onrust?

Hartkloppingen?

Piekeren?

Een verhoogde spierspanning?

Kan iemand inslapen?

Wordt diegene 's nachts wakker?

Is rust prettig of juist bijna ondraaglijk?

Want ‘moe’ is geen laboratoriumdiagnose.

Het is een woord waaronder verschillende biologische toestanden kunnen schuilgaan.

Daarom luister ik niet alleen naar welk woord iemand gebruikt.

Ik probeer te begrijpen wat dat woord in dat specifieke lichaam betekent.

Of: “Op vakantie word ik altijd ziek”

Ook dat vind ik interessante informatie.

Niet omdat vakantie ziekte veroorzaakt.

Maar omdat de timing iets kan vertellen.

Wat gebeurt er in de weken vóór de vakantie?

Hoe hoog was de belasting?

Hoe werd er geslapen?

Hoeveel ruimte was er voor herstel?

Veranderde het eetpatroon?

Werd er doorgewerkt tot de laatste avond?

En wat gebeurt er fysiologisch wanneer een langdurige periode van hoge belasting plotseling verandert?

Ik weet dan nog niet wat de verklaring is.

Maar ik heb wél een draadje om te onderzoeken.

Het verhaal van de cliënt is soms het uiteinde van een draad die onder de oppervlakte door een heel biologisch landschap loopt.

Je hoeft er alleen niet meteen hard aan te trekken.

Eerst kijken waar hij naartoe loopt.

Daarom is de tijdlijn voor mij zo waardevol

Tijdens een uitgebreide intake kijk ik graag chronologisch.

Niet alleen:

“Welke klachten heb je?”

Maar:

“Wanneer begon wat?”

Want tijd geeft context.

Wanneer begon de vermoeidheid?

Wanneer veranderde de menstruatie?

Wanneer ontstonden darmklachten?

Wat gebeurde er zes maanden daarvoor?

Was er een infectie?

Een zwangerschap?

Een operatie?

Een periode van intensief sporten?

Een streng caloriearm dieet?

Chronisch slaaptekort?

Een verandering in werk?

Antibioticagebruik?

Een verlies?

Langdurige mantelzorg?

Of juist een lange periode waarin iemand vooral heeft doorgezet?

Op zichzelf kunnen dat losse feiten lijken.

Maar wanneer we ze naast elkaar zetten, ontstaat soms iets anders.

Alsof je eerst alleen afzonderlijke sterren ziet en pas wanneer je ze met elkaar verbindt een sterrenbeeld verschijnt.

Dat sterrenbeeld is nog geen bewijs.

Dat is belangrijk.

Een tijdlijn toont samenhang in tijd, maar bewijst niet automatisch causaliteit.

Wel kan ze helpen om klinische hypotheses te ontwikkelen.

En vervolgens kunnen we die hypotheses toetsen.

Dat is voor mij wezenlijk.

Niet:

“Dit gebeurde toen, dus dit is de oorzaak.”

Maar:

“Dit patroon valt op. Welke fysiologische mechanismen zouden dit kunnen verklaren, en welke informatie hebben we nodig om daar iets zinnigs over te zeggen?”

De plek waar de klacht zit, is niet altijd de plek waar het verhaal begon

Hier komen de eerste twee lessen prachtig samen.

We hebben de natuurlijke neiging om daar te zoeken waar iets zichtbaar wordt.

Een darmklacht?

Dan zoeken we in de darm.

Eczeem?

Dan kijken we naar de huid.

Hormonale klachten?

Dan kijken we naar hormonen.

Dat is logisch.

Maar niet altijd voldoende.

Ik gebruik daarvoor graag het beeld van een rivier.

Stel dat stroomafwaarts het water steeds troebeler wordt.

Iedere ochtend sta je daar met een net.

Je haalt plastic uit het water.

Takken.

Afval.

En het water ziet er daarna even beter uit.

Maar de volgende ochtend ligt alles er weer.

Op een gegeven moment ontstaat een andere vraag.

Wat gebeurt er stroomopwaarts?

Misschien ligt daar een bron van vervuiling.

Misschien zijn er meerdere bronnen.

Misschien zorgt de stroming ervoor dat materiaal zich precies op jouw plek verzamelt.

Dat betekent niet dat je stroomafwaarts niets moet doen.

Soms moet je daar absoluut ingrijpen.

Maar als je alleen blijft kijken naar de plek waar iets zichtbaar wordt, mis je mogelijk een deel van het verhaal.

Van losse puzzelstukjes naar een werkbare hypothese

Dit is uiteindelijk waar mijn manier van werken binnen N-Health® samenkomt.

Ik verzamel puzzelstukjes.

Klachten.

Medische voorgeschiedenis.

Laboratoriumuitslagen.

Voeding.

Slaap.

Beweging.

Cyclus.

Medicatie.

Suppletie.

Darmfunctie.

Energie.

Stressfysiologie.

Levensgebeurtenissen.

Herstelvermogen.

En het verhaal van de cliënt zelf.

Maar ik wil niet alleen heel veel puzzelstukjes verzamelen.

Ik wil begrijpen welke mogelijk bij elkaar horen.

En ook welke níét.

Want integratief denken kent een belangrijke valkuil.

Wanneer je weet dat alles in het lichaam met elkaar communiceert, kun je gemakkelijk gaan denken dat alles ook de oorzaak van alles is.

Dat is niet wetenschappelijk.

Een plausibel mechanisme is geen bewijs.

Een associatie is geen causaliteit.

Een theorie die prachtig klinkt, kan bij deze ene cliënt simpelweg niet kloppen.

Daarom bestaat klinisch redeneren voor mij uit het voortdurende gesprek tussen:

het verhaal van de cliënt

objectieve diagnostiek

fysiologie en biochemie

de tijdlijn

wetenschappelijke kennis

en de bereidheid een hypothese weer los te laten wanneer de informatie haar niet ondersteunt

Dat laatste vind ik misschien wel net zo belangrijk als kennis hebben.

Mijn leermeesters leerden mij geen antwoord, ze leerden mij betere vragen stellen

En misschien is dát uiteindelijk wat een goede leermeester doet.

Niet zorgen dat je voor ieder probleem onmiddellijk een antwoord hebt.

Maar ervoor zorgen dat je andere vragen gaat stellen.

Niet alleen:

“Welk supplement hoort bij deze klacht?”

maar:

“Welk fysiologisch proces probeer ik eigenlijk te beïnvloeden?”

Niet alleen:

“Hoe krijgen we dit symptoom weg?”

maar:

“Waarom is deze reactie ontstaan en waardoor wordt zij mogelijk in stand gehouden?”

Niet alleen:

“Welke waarde is afwijkend?”

maar:

“Past die waarde bij wat deze persoon ervaart?”

Niet alleen:

“Is dit psychisch of lichamelijk?”

maar:

“Hoe communiceren brein, lichaam, omgeving en gedrag hier met elkaar?”

Niet alleen:

“Waar doet het pijn?”

maar:

“Waar begon het verhaal?”

Drie lessen, één manier van kijken

Wanneer ik de drie lessen terugbreng tot hun essentie, komen ze uiteindelijk bij hetzelfde punt uit.

Het eerste inzicht

Een symptoom is niet automatisch een fout.

Een lichaam reageert en past zich aan.

Soms is die reactie levensreddend.

Soms wordt een beschermingsmechanisme op den duur onderdeel van het probleem.

Daarom wil ik niet alleen het alarm dempen, maar begrijpen waarom het afgaat.

Het tweede inzicht

De mens bestaat niet uit afzonderlijke systemen.

Darm, immuunsysteem, zenuwstelsel, hormonen, metabolisme, mitochondriën, gedrag en omgeving communiceren voortdurend.

Daarom luister ik niet alleen naar de afzonderlijke instrumenten.

Ik probeer het orkest te horen.

Het derde inzicht

De ervaring van de cliënt doet ertoe.

Niet omdat gevoel objectieve diagnostiek vervangt.

Maar omdat een laboratoriumwaarde niet kan vertellen hoe het is om daadwerkelijk in dat lichaam te leven.

De biologische foto én de film (de weg ernaar toe en terug) zijn nodig.

Van “wat is er mis?” naar “waar probeert het lichaam zich aan aan te passen?”

Misschien vat deze ene verschuiving mijn manier van werken uiteindelijk het beste samen.

Ik probeer niet alleen te vragen:

Wat is er mis met dit lichaam?

Maar ook:

Waar probeert dit lichaam zich aan aan te passen?

Het concept allostase ondersteunt het idee dat fysiologische systemen voortdurend anticiperen en reageren op veranderende behoeften. Wanneer stressmediatoren adequaat worden geactiveerd en weer uitgeschakeld, bevordert dat aanpassing. Bij herhaalde of chronische belasting kan echter een cumulatieve biologische belasting ontstaan.

Dat perspectief verandert veel.

Een symptoom wordt informatie.

Een tijdlijn krijgt betekenis.

Een levensgebeurtenis staat niet automatisch los van fysiologie.

Een emotie wordt niet gereduceerd tot ‘het zit tussen de oren’.

En een bloedwaarde wordt niet de hele mens.

Wat mijn leermeesters mij uiteindelijk hebben meegegeven

Door de jaren heen heb ik van verschillende mensen mogen leren.

Sommigen leerden mij biochemie.

Anderen leerden mij anders naar het immuunsysteem te kijken.

Weer anderen leerden mij over evolutionaire geneeskunde, endocrinologie, neurologie, metabolisme of gedrag.

En sommige leermeesters gaven mij vooral iets wat veel moeilijker in een syllabus te zetten is:

een andere manier van kijken.

De een leerde mij niet onmiddellijk tegen een symptoom te vechten.

Een ander leerde mij dat de grenzen tussen vakgebieden menselijke grenzen zijn en geen biologische.

Weer een ander liet mij zien hoe belangrijk het is om werkelijk te luisteren naar wat een cliënt vertelt.

Door de jaren heen zijn die perspectieven onderdeel geworden van mijn eigen manier van werken.

Niet als kopie van één leermeester.

Niet als één vast model.

En zeker niet als dogma.

Maar als een steeds verder groeiende integratie van onderwijs, wetenschap, klinisch redeneren en ervaring.

Daar ben ik mijn leermeesters dankbaar voor.

Want echte leermeesters geven je uiteindelijk niet alleen kennis die je kunt reproduceren.

Ze veranderen de ogen waarmee je kijkt.

En vervolgens blijven cliënten je verder onderwijzen

Misschien is dat het bijzondere aan dit vak.

Je opleiding stopt niet zodra je certificaat aan de muur hangt.

Iedere cliënt vraagt opnieuw om aandacht.

Sommige verhalen passen precies binnen wat je hebt geleerd.

Andere verhalen dwingen je een hypothese los te laten.

Soms denk je dat je het patroon begrijpt en blijkt een laboratoriumuitslag iets totaal anders te vertellen.

En soms zegt een cliënt één zin waardoor verschillende puzzelstukjes ineens op hun plek vallen.

Dat vraagt voor mij om iets belangrijks:

nieuwsgierigheid zonder de behoefte altijd gelijk te moeten hebben.

Want de mens tegenover mij hoeft niet in mijn theorie te passen.

Mijn theorie moet mij helpen die mens beter te begrijpen.

En wanneer zij dat niet doet, moet ik opnieuw kijken.

Dat is hoe ik binnen N-Health® werk

Ik behandel geen laboratoriumwaarde, ik leg ze wel uit en maak onderinge verbanden.

Geen darmuitslag.

Geen hormoon.

Geen mitochondrion.

Geen zenuwstelsel.

En ook geen ‘stress’.

Er zit altijd een mens tegenover mij.

Met een lichaam.

Een brein.

Een geschiedenis.

Een omgeving.

Een immuunsysteem.

Een metabolisme.

Gewoonten.

Relaties.

Ervaringen.

Genetische kwetsbaarheden.

Beschermende factoren.

En een lichaam dat vanaf de eerste dag heeft geprobeerd zich zo goed mogelijk aan dat hele landschap aan te passen.

Daarom wil ik niet alleen weten wat iemand heeft.

Ik wil begrijpen hoe het verhaal is ontstaan.

Niet om overal één verborgen oorzaak achter te zoeken.

Maar om te ontdekken welke factoren relevant zijn, welke niet, welke processen mogelijk beïnvloedbaar zijn en waar aanvullende diagnostiek nodig is.

Soms betekent dat behandelen waar de klacht zit.

Soms betekent het verder stroomopwaarts kijken.

En vaak betekent het beide.

Want uiteindelijk is een mens voor mij geen verzameling losse organen.

Een mens is een levend biologisch netwerk dat voortdurend waarneemt, communiceert, reageert en zich aanpast.

En soms is een klacht niet alleen het einde van een proces.

Soms is het de eerste zin die het lichaam hardop uitspreekt.

Mijn taak is dan niet alleen om die zin zo snel mogelijk stil te krijgen.

Maar om zorgvuldig genoeg te luisteren om te begrijpen welk verhaal eraan voorafging.

Niet alleen behandelen waar de klacht zit.

Maar proberen te begrijpen waar het verhaal begon. Wil jij met mij jouw verhaal delen, kijken waar ik jou bij kan ondersteunen? Neem een kijkje op www.n-health.nl en boek jouw afspraak meteen in mijn online agenda, ik ben benieuwd naar jouw verhaal.

Wetenschappelijke verdieping

McEwen, B. S. (1998). Stress, adaptation, and disease. Allostasis and allostatic load. Annals of the New York Academy of Sciences, 840, 33–44.https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/9629234/

McEwen, B. S. (2007). Physiology and neurobiology of stress and adaptation: Central role of the brain. Physiological Reviews, 87(3), 873–904.https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/17615391/

McEwen, B. S., & Wingfield, J. C. (2010). What's in a name? Integrating homeostasis, allostasis and stress.Voor verdere verdieping in allostase en allostatic load:https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/20201874/

McEwen, B. S. (2017). Neurobiological and systemic effects of chronic stress. Chronic Stress.https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/28856337/

Picard, M., McEwen, B. S., Epel, E. S., & Sandi, C. (2018). An energetic view of stress: Focus on mitochondria. Frontiers in Neuroendocrinology, 49, 72–85.https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/29339091/

Picard, M., McEwen, B. S., Epel, E. S., & Sandi, C. (2018). Psychological stress and mitochondria: A systematic review. Psychosomatic Medicine, 80(2), 141–153.https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/29389736/

Picard, M., Juster, R. P., & McEwen, B. S. (2014). Mitochondrial allostatic load puts the ‘gluc’ back in glucocorticoids. Nature Reviews Endocrinology, 10, 303–310.https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/24663223/

Churruca, K., Pomare, C., Ellis, L. A., Long, J. C., Henderson, S. B., Murphy, L. E. D., Leahy, C. J., & Braithwaite, J. (2021). Patient-reported outcome measures (PROMs): A review of generic and condition-specific measures and a discussion of trends and issues. Health Expectations, 24(4), 1015–1024.https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC8369118/

Weldring, T., & Smith, S. M. S. (2013). Patient-reported outcomes (PROs) and patient-reported outcome measures (PROMs). Health Services Insights, 6, 61–68.https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC4089835/

Deze blog is bedoeld ter educatie en vervangt geen individuele medische diagnostiek of behandeling. Ervaringen en klachten kunnen richting geven aan klinische hypotheses, maar vormen op zichzelf geen diagnose. Bij nieuwe, ernstige of onverklaarde klachten is passende medische beoordeling altijd noodzakelijk.

Warme en gezonde groet, Natasja van Ooijen, Klinisch Psycho Neuro-immunoloog & Epigenetisch Orthomoleculair TherapeutN-Health®

Opmerkingen


© 2026 by N-health® Copyright © All Rights Reserved

-van deze site mag niets worden gekopieerd of gedupliceerd zonder schriftelijke toestemming-

N-health logo

Volg N-Health® en Natasja van Ooijen
Instagram | Facebook | LinkedIn | YouTube 

bottom of page